vrijdag 13 december 2019

rubriek: ,

Geen hoofddoek

Fatima heeft een zee aan heimwee in haar ogen. Als ik haar groet raakt ze me altijd even aan.

Op mijn vorige school werd ik als nieuwe overblijfmedewerker naar het bijgebouw verbannen. Ik zeg ‘verbannen’ omdat in het hoofdgebouw voornamelijk Nederlanders werkten en in het bijgebouw meer vrouwen van Marokkaanse afkomst.

Ik ging er meteen gezellig tussen zitten en genoot van de onbekende klanken om mij heen die mijn werk een exotisch tintje gaven. Al snel vertelde een Nederlandse vrouw die er ook werkte dat ze het zo vervelend vond dat de moslima’s in hun eigen taal bleven praten terwijl zij ernaast zat. Nu hield ze maar afstand. Ze keek mij aan met een blik alsof ik moest kiezen; of bij haar komen zitten, of mij aansluiten bij de groep Marokkaanse vrouwen. Ik had begrip voor haar verhaal, maar omdat ik te zijner tijd de coördinatie zou gaan doen, leek het mij niet verstandig om een bepaalde groep buiten te sluiten.

Gratis tramkaartje


Ik bleef natuurlijk praten met de Marokkaanse vrouwen. Een van hen had een zoon die aan de universiteit studeerde, daar was zij erg trots op. Ik kon van alles vragen over haar leven en ik vertelde over mijn overblijftijd op een ‘zwarte’ school in de Amsterdamse Diamantbuurt.

Op de tramhalte begonnen moslima’s, die ik niet kende, spontaan tegen mij te praten. Ik kreeg zomaar een tramkaartje dat nog twee uur geldig was in mijn hand gedrukt. Steeds vaker zag ik donkere ogen vanonder hoofddoeken met belangstelling naar mij staren in de straten van Nieuw-West. Of was ik het zelf die mijn omgeving anders was gaan zien?

‘Jij ouwehoert te veel met je collega’s,’ onderbrak de vrouw, die zich nog steeds buitengesloten voelde, het gesprek met een moslima. Het was een chique ogende dame, maar de buitenkant zegt niets.

Rouw


‘Wat zie je er mooi uit zo in het wit,’ zeg ik tegen Fatima. Ik ga er vanuit dat ze in feeststemming is. Ze glimlacht, maar haar ogen staan droeviger dan ooit. Ze legt met handen en voeten uit dat in haar cultuur wit een rouwkleur is. Haar man is vorige week overleden na een lang ziekbed.

'Hey,' zegt een kind uit de kleuterklas bij de kapstok op de gang tegen mij. 'Ben jij ook van de overblijf?' 'Ja, hoezo?’ 'Waarom heb jij dan geen hoofddoek om?' Ik slik en sta even met mijn mond vol tanden.